Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 mei 2000
Alinea 149 Parket bij de Hoge Raad 3 mei 2000
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 mei 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA5677.
8.2.4. Daar staan echter twee systematische argumenten tegenover. Het eerste is dat art. 11 Wet OB 1968 in totaliteit is gericht op bepaalde prestaties29, niet op de organisatie als geheel. Het karakter van de omzetbelasting brengt dat in zekere zin ook mee. Bezien tegen deze achtergrond lijkt een uitleg waarbij de voorwaarde van het winst beogen wordt betrokken op het verrichten van de specifieke vrij te stellen prestaties, de meest aangewezene (zie ook de in par. 4.3.2. geciteerde passage uit de conclusie van A-G Cosmas in de zaak Bulthuis-Griffioen waarin de A-G voor de uitleg van het begrip Awinst beogen@ van de Zesde richtlijn eveneens kiest voor een beoordeling van het streven waarmee de ondernemer de activiteiten heeft ondernomen). Het tweede argument is dat niet goed valt te verklaren waarom de wetgever ten aanzien van instellingen die diensten van sociale of culturele aard verrichten op dit punt een andere toets zou hebben willen hanteren dan ten aanzien van instellingen die de in art. 11, lid 1, onderdeel c, e en t Wet OB 1968 bedoelde prestaties verrichten.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a417f5334eb89c1294bd79a0352b6a7615cb9637aff69051243d866a37e59773. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a417f5334eb89c1294bd79a0352b6a7615cb9637aff69051243d866a37e59773, en de alinea staat in dat document op bytes 42589 tot 43686.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a417f5334eb89c1294bd79a0352b6a7615cb9637aff69051243d866a37e59773 | shasum -a 256