Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 mei 2000

Alinea 47 Parket bij de Hoge Raad 12 mei 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 mei 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA5780.

4 Art. 21 lid 3 (oud) IOAW bepaalde dat ten aanzien van de wijze van terugvordering en de daarbij te volgen procedures, waaronder begrepen die tot het aanwenden van rechtsmiddelen, de bij of krachtens de Algemene Bijstandswet (Stb. 1963, 284) terzake gestelde regels van overeenkomstige toepassing waren. Nadat de ABW was vervangen door de nieuwe Abw, gold in het tijdperk tussen 1 januari 1996 en 1 juli 1997 art. 29 IOAW. Dit laatste bepaalde dat de vordering tot nakoming van een besluit tot terugvordering wordt ingediend bij de kantonrechter en dat op deze vordering “het bepaalde in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering” van toepassing is. Bij de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (wet van 25 april 1996, Stb. 1996, 248), art. X onder K, is art. 29 IOAW vervallen. Sedertdien levert het besluit van B en W tot terugvordering een executoriale titel op. De gelijkenis met het in datzelfde tijdvak geldende art. 88 Abw springt in het oog. Zie over die bepaling: HR 20 februari 1998, NJ 1999, 561 m.nt. HJS. In casu is het inleidend verzoekschrift ingediend tussen 1 januari 1996 en 1 juli 1997. Ergo: de cassatietermijn bedraagt twee maanden na de dagtekening van de beschikking.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ca36cc78efcb8ca5a9968b4e277ac2a83d2e6f96db241358a248553f40021a18. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ca36cc78efcb8ca5a9968b4e277ac2a83d2e6f96db241358a248553f40021a18, en de alinea staat in dat document op bytes 22928 tot 24167.