Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 mei 2000
Alinea 36 Parket bij de Hoge Raad 26 mei 2000
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 mei 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA5960.
2.1 Het gaat in deze zaak om (de opheffing van) een executoriaal beslag op onroerende zaken. De vordering tot opheffing van een executoriaal beslag valt aan te merken als een executiegeschil. Het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering geeft hiervoor in art. 438 een algemene regeling. Dit artikel schept een bijzondere bevoegdheid van de president in kort geding met betrekking tot elk geschil dat met de tenuitvoerlegging van een titel verband houdt, ook in het geval waarin, zoals hier, een derde opkomt tegen de executie8. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan de president een beslag opheffen, al dan niet tegen zekerheidstelling. Overigens is in de jurisprudentie aangenomen dat deze bevoegdheid op praktische gronden ook vóór de invoering van art. 438 Rv. al bestond9.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1cb2da7c34457c56964a347e8686bf77e2d210803863a186362c6cb54d469739. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1cb2da7c34457c56964a347e8686bf77e2d210803863a186362c6cb54d469739, en de alinea staat in dat document op bytes 15124 tot 15936.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1cb2da7c34457c56964a347e8686bf77e2d210803863a186362c6cb54d469739 | shasum -a 256