Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 mei 2000
Alinea 47 Parket bij de Hoge Raad 26 mei 2000
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 mei 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA5960.
3.5 De vraag of de verkrijging te goeder trouw is geweest, doet alleen ter zake daar waar door de verkrijger een beroep wordt gedaan op een beschermingsconstructie, zoals bijvoorbeeld 453a lid 2 Rv. (roerende zaken), art. 505 lid 3 Rv. (onroerende zaken) in verbinding met art. 3:24 BW en art. 3:45 BW16. Dit komt niet aan de orde in de opvatting dat het beslag herleeft (werking ex nunc). Dan is immers in de tussenliggende periode tussen de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde opheffing van het beslag en vernietiging van het opheffingsvonnis in appel de beschikkingsbevoegdheid van de beslagene niet geblokkeerd (geweest), omdat het beslag geacht moet worden haar werking te hebben verloren. Herleving van het beslag strookt ook met de strekking van de uitvoerbaar verklaring bij voorraad, die erop is gericht de beslagdebiteur vrijelijk over het beslagen goed te laten beschikken17. De opvatting dat in de tussentijd door derden verkregen rechten ook tegen de beslagcrediteur kunnen worden ingeroepen, is dan ook niet meer dan logisch.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1cb2da7c34457c56964a347e8686bf77e2d210803863a186362c6cb54d469739. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1cb2da7c34457c56964a347e8686bf77e2d210803863a186362c6cb54d469739, en de alinea staat in dat document op bytes 21707 tot 22761.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1cb2da7c34457c56964a347e8686bf77e2d210803863a186362c6cb54d469739 | shasum -a 256