Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 juni 2000

Alinea 21 Parket bij de Hoge Raad 16 juni 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 juni 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA6231.

4. De Rechtbank heeft de vordering in conventie afgewezen en de vordering in reconventie toegewezen. Zij stelde daartoe voorop dat alle termijnen van de met de vrouw ([..]) gesloten overeenkomst zijn voldaan, doch dat [eiseres] stelt dat zij op de vrouw een vordering heeft uit hoofde van de met de man gesloten "aanvullende overeenkomst" omdat de man bij het aangaan van die overeenkomst namens de vrouw handelde. Dat betoog moet worden verworpen, aldus de Rechtbank, aangezien [eiseres] heeft verzuimd te stellen waaruit zou volgen dat de man mede namens de vrouw handelde. Daaruit vloeit voort dat [eiseres] uitsluitend een vordering heeft op de man. Aan de orde is dan, zo vervolgde de Rechtbank, of [eiseres] zich ten aanzien van deze vordering op de man tegenover de Bank op een reten-tierecht kon beroepen, in aanmerking genomen dat het hypothee-krecht van de Bank ouder is dan het retentierecht van [eiseres]. Deze vraag beantwoordde de Rechtbank ontkennend op grond van de volgende overweging:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ac313ebc78867a452a4f4b8bf1761c71aa35c5e88771f32b5d1b4754310762e2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ac313ebc78867a452a4f4b8bf1761c71aa35c5e88771f32b5d1b4754310762e2, en de alinea staat in dat document op bytes 11222 tot 12237.