Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 juni 2000
Alinea 22 Parket bij de Hoge Raad 16 juni 2000
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 juni 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA6231.
"Dat [eiseres] zich tegenover de bank niet op een retentierecht kon beroepen, volgt uit de omstandigheid dat [de man] niet de bevoegdheid als bedoeld in het tweede lid van art. 3:291 Burgerlijk Wetboek bezat, om met [eiseres] de aanvullende over-eenkomst van 21 februari aan te gaan, terwijl uit de aanne-mingsovereenkomst van [eiseres] met [de vrouw] van dezelfde datum volgt dat [eiseres] wist dat [de man] geen eigenaar van de onroerende zaak zou worden, zodat [eiseres] reeds om die reden niet te goeder trouw was in de zin van het slot van genoemde bepaling. Ook op dit punt doet niet ter zake of de ten aanzien van de aanvullende overeenkomst door [eiseres] en [de man] gevolgde gedragslijn gebruikelijk is, omdat - ook indien dat het geval is - [de man] aan een en ander noch de in art. 3:291 Burgerlijk Wetboek bedoelde bevoegdheid kan ontlenen, noch (lees: [eiseres]; DVL) de in dezelfde bepaling bedoelde goede trouw."
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ac313ebc78867a452a4f4b8bf1761c71aa35c5e88771f32b5d1b4754310762e2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ac313ebc78867a452a4f4b8bf1761c71aa35c5e88771f32b5d1b4754310762e2, en de alinea staat in dat document op bytes 12245 tot 13186.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ac313ebc78867a452a4f4b8bf1761c71aa35c5e88771f32b5d1b4754310762e2 | shasum -a 256