Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 juni 2000

Alinea 24 Parket bij de Hoge Raad 16 juni 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 juni 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA6231.

De Bank heeft daartegen aangevoerd dat het gezien art. 3:291 BW erom gaat of de man tegenover de Bank bevoegd was de aanvullende overeenkomst te sluiten, dat de man die bevoegd-heid niet bezat en dat de aannemer niet te goeder trouw was. De Bank heeft voorts betoogd dat de man niet de bevoegdheid had de onroerende zaak dusdanig te belasten dat daarmee de rechten van de Bank in het gedrang kwamen. In eerste aanleg had de Bank reeds aangevoerd dat het hypotheekrecht van de Bank niet kan worden uitgehold door een aanvullende overeenk-omst gesloten door een partij, de man, die in geen enkele relatie tot de onroerende zaak stond.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ac313ebc78867a452a4f4b8bf1761c71aa35c5e88771f32b5d1b4754310762e2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ac313ebc78867a452a4f4b8bf1761c71aa35c5e88771f32b5d1b4754310762e2, en de alinea staat in dat document op bytes 14268 tot 14913.