Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 juni 2000

Alinea 33 Parket bij de Hoge Raad 16 juni 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 juni 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA6231.

In beginsel kan de retentor het retentierecht alleen tegenwerpen aan zijn wederpartij en diens rechtsopvolgers. Art. 291 lid 2 BW bepaalt evenwel dat de schuldeiser het retentierecht ook kan inroepen tegen derden met een ouder recht "indien zijn vordering voortspruit uit een overeenkomst die de schuldenaar bevoegd was met betrekking tot de zaak aan te gaan, of hij geen reden had aan de bevoegdheid van de schuldenaar te twijfelen." Onder "derden met een ouder recht" zijn te verstaan zowel de eigenaar van de zaak (in casu de vrouw) als beperkt gerechtigden (in casu de Bank). De retentor zal in het algemeen van de bevoegdheid van de schuldenaar tot het sluiten van de overeenkomst mogen uitgaan wanneer de overeenkomst met een normale exploitatie van de zaak in over-eenstemming is. Dit geldt ook wanneer de zaak bij het ontstaan van het retentierecht aan een derde toebehoorde of wanneer een derde daarop een beperkt recht had en de retentor weliswaar met het bestaan van het recht van de derde bekend was doch - mede gezien de aard van de werkzaamheden - niet erop bedacht hoefde te zijn dat dit recht de onbevoegdheid tot het sluiten van de overeenkomst meebracht. De retentor zal daarom in het algemeen beschermd zijn wanneer de overeenkomst strekt tot het doen verrichten van normaal onderhoud, noodzakelijke repara-ties, bewaring in de gevallen waarin dit gebruikelijk is, etc.. Naarmate de opdracht minder gebruikelijk is, zal op de retentor een zwaardere onderzoeksplicht rusten. Bovendien wordt ook een onderzoeksplicht aangenomen wanneer de bijzonde-re omstandigheden van het geval aanleiding geven aan de be-voegdheid van de schuldenaar te twijfelen (vgl. art. 3:11 BW). Voor de vraag of de retentor redelijkerwijs van de bevoegdheid van de schuldenaar tot het sluiten van de overeenkomst mag uitgaan is beslissend het tijdstip waarop de overeenkomst wordt aangegaan. Zie Parl. Gesch. Boek 3 (MvAII en NvW), p. 885 en 887-888. Zie over art. 3:291 lid 2 BW verder Asser-Mijnssen Zakenrecht III, (1994), nr. 410; Pitlo/Reehuis, Heisterkamp, Goederenrecht, (1994), nr. 951; Fesevur, Voor-rechten en retentierecht, Mon. Nieuw BW B-13 (1992), p. 63-67; dezelfde, Retentierecht, diss. 1988, p. 177-185; Aarts, Het retentierecht, diss. 1990, nr. 385 e.v.; Nieskens-Isphor-ding/Van der Putt-Lauwers, Derdenbescherming, Mon. Nieuw BW A-22 (1993), nr. 15.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ac313ebc78867a452a4f4b8bf1761c71aa35c5e88771f32b5d1b4754310762e2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ac313ebc78867a452a4f4b8bf1761c71aa35c5e88771f32b5d1b4754310762e2, en de alinea staat in dat document op bytes 20156 tot 22530.