Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 juni 2000

Alinea 34 Parket bij de Hoge Raad 16 juni 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 juni 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA6231.

10. Het middelonderdeel stelt nog slechts de vraag aan de orde in hoeverre [eiseres] zich tegenover de Bank met haar "oudere hypotheekrecht" op een retentierecht op de onroerende zaak kon beroepen ter zake van de vorderingen die zij uit de aanvullende overeenkomst heeft verkregen op de man die - naar door het middel tot uitgangspunt wordt genomen - op eigen naam en rekening contracteerde en die, naar [eiseres] wist, geen eigenaar was van de onroende zaak. De vraag of [eiseres] een retentierecht kon geldend maken tegenover de vrouw kan inder-daad bevestigend worden beantwoord indien de man tegenover de vrouw bevoegd was de aanvullende overeenkomst aan te gaan. Anders dan het middel kennelijk wil betogen, is evenwel voor de beantwoording van de vraag of [eiseres] haar retentierecht ook geldend kon maken tegenover de Bank, niet, althans niet uitsluitend, doorslaggevend of de man jegens de vrouw bevoegd was op eigen naam en voor eigen rekening de aanvullende over-eenkomst te sluiten; beslissend is of de man (en de vrouw) daartoe jegens de Bank bevoegd was (waren) dan wel [eiseres] geen reden had aan deze bevoegdheid te twijfelen. Ook de Rechtbank is daarvan overigens reeds uitgegaan gezien haar hiervoor onder 4 geciteerde rechtsoverweging.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ac313ebc78867a452a4f4b8bf1761c71aa35c5e88771f32b5d1b4754310762e2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ac313ebc78867a452a4f4b8bf1761c71aa35c5e88771f32b5d1b4754310762e2, en de alinea staat in dat document op bytes 22587 tot 23855.