Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 juni 2000

Alinea 37 Parket bij de Hoge Raad 16 juni 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 juni 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA6231.

In rechtsoverweging 4.3 refereert het Hof aan bedoelde stelling. (Ook het middel gaat daarvan uit.) In rechtsoverwe-ging 4.4 stelt het Hof vervolgens voorop dat ingevolge art. 3:291 lid 2 BW de crediteur een retentierecht tegen een derde met een ouder recht kan inroepen ter zake van een vordering uit een overeenkomst "die de debiteur (jegens de eigenaar) bevoegd was te sluiten". Ik meen dat hier sprake is van een verschrijving en dat het Hof bedoelt: "die de debiteur (jegens de beperkt gerechtigde) bevoegd was te sluiten". Dat leid ik af uit het feit dat het Hof zijn betoog vervolgt met de over-weging "[eiseres] pretendeert echter geen vordering uit de met [de vrouw] gesloten overeenkomst doch daarentegen uit de met [de man] op dezelfde dag gesloten `aanvullende overeenkomst'." Deze overweging mist goede zin tenzij men ervan uitgaat dat sprake is van een verschrijving als door mij bedoeld. Daarbij komt dat het ook daarom aannemelijk is dat het Hof "de beperkt gerechtigde" op het oog heeft, omdat het in dit geding immers gaat om de vraag of het retentierecht tegenover de hypotheekhouder (de Bank) kon worden ingeroepen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ac313ebc78867a452a4f4b8bf1761c71aa35c5e88771f32b5d1b4754310762e2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ac313ebc78867a452a4f4b8bf1761c71aa35c5e88771f32b5d1b4754310762e2, en de alinea staat in dat document op bytes 26340 tot 27488.