Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 juni 2000
Alinea 37 Parket bij de Hoge Raad 16 juni 2000
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 juni 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA6232.
2.1 In de onderhavige zaak gaat het erom onder welke voorwaarden een bankhypotheek op een binnenschip mede dekking biedt voor toekomstige vorderingen van de financier op de scheepseigenaar. Met name is aan de orde de vraag wat in dit verband de betekenis is van de door art. 8:792 aanhef en onder c BW gestelde eis, dat mede moet worden vermeld "de bedongen rente en het tijdstip of de tijdstippen waarop deze vervalt". De moeilijkheid waarvoor de financieringspraktijk4 wordt gesteld bij een toepassing van deze eis naar de letter, is dat op het moment van vestiging van de bankhypotheek in de regel nog niet bekend is welke op dat moment nog niet bestaande vorderingen daardoor mede moeten worden gedekt en dus evenmin welk rentepercentage die vorderingen zullen hebben en wanneer de daarmee verbonden rentetermijnen zullen vervallen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9d451fba489451349b33ece22a16df4f72003aa5aead200bae665c9092b46805. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9d451fba489451349b33ece22a16df4f72003aa5aead200bae665c9092b46805, en de alinea staat in dat document op bytes 11898 tot 12747.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9d451fba489451349b33ece22a16df4f72003aa5aead200bae665c9092b46805 | shasum -a 256