Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 juni 2000

Alinea 37 Parket bij de Hoge Raad 16 juni 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 juni 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA6237.

2.14. Het hof, dat in rov. 3 niet naar de bijzondere omstandigheden van het geval verwijst en dus een meer algemeen geldende regel voor ogen moet hebben gehad, is mogelijk uitgegaan van een geldende verkeersopvatting, waarin het in gevallen als dit (overname van een meerderheidsbelang in een onderneming) voldoende is dat de verkoper het enkele bestaan van de desbetreffende contractuele relatie (in casu: het stamrecht) aan de aspirant-koper meldt, waarna het initiatief komt te liggen bij de aspirant-koper, die aan de hand daarvan vragen kan stellen of nader onderzoek kan (laten) doen naar de inhoud van die rechtsbetrekking18. De rechtsklacht kan verworpen worden indien beslist wordt dat het hof, op basis van de in het verkeer geldende opvattingen omtrent de onderzoeksplicht van de koper, tot het oordeel kon komen dat de dwaling voor rekening van L.E. Beheer behoorde te blijven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bd8bbb8c638334cda12cb207529fbe7d80fdf58b6ef34314026aa43cbc3d0131. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bd8bbb8c638334cda12cb207529fbe7d80fdf58b6ef34314026aa43cbc3d0131, en de alinea staat in dat document op bytes 23792 tot 24694.