Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2000
Alinea 19 Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2000
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA6303.
3.2. Het tweede onderdeel van het eerste middel stelt dat de wederrechtelijkheid in ieder geval is komen te vervallen door de goedkeuring achteraf van de superieuren van verdachte. Het onderdeel mist feitelijke grondslag omdat nergens is vastgesteld - en in feitelijke aanleg ook niet is aangevoerd - dat de superieuren van verdachte zo een goedkeuring hebben gegeven. Wel blijkt uit de inhoud der gebezigde bewijsmiddelen (nr.1, nr.2 -[getuige 1], [getuige 2]-) dat met verdachte een regeling is getroffen in die zin dat een verrekening zou worden toegepast met een reiskostenvergoeding voor een eventuele volgende reis. Materieel betekent dit dat verdachte het door hem bestede geld uit eigen zak zou moeten bijpassen ter gelegenheid van een volgende dienstreis. Nergens blijkt dus dat achteraf is goedgekeurd dat verdachte het geld dat bestemd was voor een dienstreis voor een verkiezingscampagne aanwendde.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2ece0e832a26b0275207faf4588b64b23a5395b00ddd14b3d40f74e97296c91c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2ece0e832a26b0275207faf4588b64b23a5395b00ddd14b3d40f74e97296c91c, en de alinea staat in dat document op bytes 7802 tot 8725.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2ece0e832a26b0275207faf4588b64b23a5395b00ddd14b3d40f74e97296c91c | shasum -a 256