Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2000

Alinea 31 Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA6337.

2.10. Binnen de rechterlijke macht geldt de ongeschreven regel dat de advocaat als rechter-plaatsvervanger zich onthoudt van het behandelen van en beslissen in zaken, waarmee hijzelf of één van zijn kantoorgenoten als advocaat van doen heeft gehad13. Rechtspraak over dit onderwerp ontbreekt, hetgeen erop duidt dat zulke problemen in de praktijk worden voorkómen doordat de advocaat/rechter-plaatsvervanger niet door de rechtbank voor zo’n zaak wordt gevraagd of zich vóór de behandeling van de zaak als rechter-plaatsvervanger terugtrekt. De problematiek van de kantoorgenoot als rechter-plaatsvervanger is onlangs in ander verband aan de Hoge Raad voorgelegd14. Het ging daarbij om een officier van justitie die, in een ander dan het eigen arrondissement, als rechter-plaatsvervanger zitting had in twee strafzaken. In die strafzaken was een ambtgenoot van deze officier van justitie (d.w.z. een andere officier van justitie uit hetzelfde arrondissementsparket) betrokken geweest bij het voorbereidend onderzoek, resp. bij de strafvervolging ter terechtzitting. Het hof had de bezwaren van de verdachte tegen deze gang van zaken verworpen; de Hoge Raad heeft die beslissing vernietigd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cbdfa8569871b4d1b6f5cd87eb0d9d8820a8ab4973e571ab381b3c2a79b8454f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cbdfa8569871b4d1b6f5cd87eb0d9d8820a8ab4973e571ab381b3c2a79b8454f, en de alinea staat in dat document op bytes 20854 tot 22062.