Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2000

Alinea 41 Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA6337.

2.14. In rov. 4 heeft het hof aansluiting gezocht bij deze jurisprudentie. Het hof heeft dus de juiste maatstaf gehanteerd. De klachten van onderdeel II komen erop neer dat de stellingen van [eiser] het hof hadden moeten doen concluderen dat de bij [eiser] bestaande vrees voor onvoldoende onpartijdigheid van de Haagse rechtbank objectief gerechtvaardigd was. De toelichting op het middel verwijst naar het arrest in de zaak Van de Hurk (EHRM 19 april 1994, NJ 1995, 462, m.nt. EAA) en dat in de zaak Procola (EHRM 28 september 1995, NJ 1995, 667 m.nt. EAA). Die uitspraken gaan weliswaar over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter, maar in een niet vergelijkbaar geval. In die zaken ging het om de vraag of er nog sprake is van een berechting door een onafhankelijk gerecht wanneer een minister op grond van de wet de rechterlijke uitspraak ter zijde kan stellen, respectievelijk om de vraag of voldoende waarborgen voor een onafhankelijk en onpartijdig oordeel aanwezig zijn, wanneer een instantie, die eerder inhoudelijk advies heeft uitgebracht over een bepaald vraagstuk, later als rechter moet oordelen over datzelfde vraagstuk. Geen van beide vragen is thans aan de orde.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cbdfa8569871b4d1b6f5cd87eb0d9d8820a8ab4973e571ab381b3c2a79b8454f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cbdfa8569871b4d1b6f5cd87eb0d9d8820a8ab4973e571ab381b3c2a79b8454f, en de alinea staat in dat document op bytes 26544 tot 27753.