Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2000

Alinea 53 Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA6338.

9 Zie Asser-Hartkamp 4-III (1998), nrs. 356 en 362; A-G Bloembergen in zijn conclusie (nr. 2.8) voor HR 18 febr. 1994, NJ 1994, 463 m.nt. WMK. Hieraan doet m.i. niet af dat het resultaat gelijk staat met een betaling van Ermer aan de bank (en een betaling zeer wel tot een ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van de ontvanger kan leiden: vgl. bijv. HR 28 febr. 1997, NJ 1998, 218 m.nt. HJS). Immers, die betaling zou dan hebben berust op een (geldige en niet vernietigbare) rechtsgrond, bestaande uit het feit dat Ermer erin heeft toegestemd de bank schadeloos te stellen. Ermer had er m.i. beter aan gedaan te trachten die rechtsgrond met een beroep op art. 6:258 te ecarteren (ook indien de bewilliging als een eenzijdige rechtshandeling zou moeten worden opgevat, zie Asser-Hartkamp 4-II (1997), nr. 341 i.f.). Het geval kan worden vergeleken met de schenking, bedoeld in Parl. Gesch. Boek 6, p. 977 (peetoom schenkt met het oog op huwelijk dat niet doorgaat): eveneens een rechtshandeling om niet die wordt verricht onder invloed van een toekomstverwachting die zich niet verwezenlijkt. Dat een vordering gebaseerd op art 6:258 (mogelijk) wel succesvol zou zijn geweest en één gebaseerd op art. 6:211 niet, is niet omdat laatstgenoemde vordering een subsidiair karakter zou hebben of omdat art. 6:258 als lex specialis zou prevaleren, maar omdat een verrijking die is gebaseerd op een geldige rechtshandeling niet ongerechtvaardigd is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5463ced55827428d98955416d13daf490f707b3af34eb96e14cf5cb49a75ede0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5463ced55827428d98955416d13daf490f707b3af34eb96e14cf5cb49a75ede0, en de alinea staat in dat document op bytes 19284 tot 20745.