Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2000
Alinea 24 Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2000
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA6341.
2.4. De erfgenamen (lees: [de vriendin van de overleden man]) hebben bij memorie van antwoord primair bestreden dat het hof bij de beoordeling van het spoedeisend belang rekening zou mogen houden met de toestand zoals die was ontstaan na het overlijden. Subsidiair stelden zij: “dat geïntimeerde minvermogend is en grote kosten heeft moeten maken in verband met het overlijden van de erflater. Daarmede staat (opnieuw) de spoedeisendheid vast.” De vrouw heeft deze stelling tegengesproken als onvoldoende onderbouwd5; in dit verband heeft de vrouw aangevoerd dat de afwikkeling van de nalatenschap, ook indien het vonnis van de president in stand blijft, nog geruime tijd op zich zal laten wachten, zodat [de vriendin van de overleden man] niet onmiddellijk profijt van een toewijzende uitspraak zal kunnen hebben. Tenslotte, zo merkte de vrouw op, is de nalatenschap ten opzichte van [de vriendin van de overleden man] onder bewind gesteld.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f85402e481587843eee6f3994ba261d9857d10c8eadb142656f36ef447559e1b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f85402e481587843eee6f3994ba261d9857d10c8eadb142656f36ef447559e1b, en de alinea staat in dat document op bytes 11685 tot 12644.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f85402e481587843eee6f3994ba261d9857d10c8eadb142656f36ef447559e1b | shasum -a 256