Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2000

Alinea 30 Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA6341.

2.9. In hoger beroep heeft de vrouw aan deze kwestie slechts één regel gewijd. Na het betoog dat de afwikkeling van de nalatenschap nog geruime tijd zou vergen zodat [de vriendin van de overleden man] geen onmiddellijk profijt van een toewijzend vonnis zou hebben, vervolgde zij: “Tenslotte is de nalatenschap ten opzichte van haar onder bewind gesteld.”7 Niet gezegd kan worden dat het hof tegenover deze opmerking - een opmerking, niet een verweer! - tekort is geschoten in zijn motiveringsplicht. Voor zover de vrouw hiermee bedoelt dat [de vriendin van de overleden man] gedurende het tijdvak waarvoor de nalatenschap onder bewind is gesteld geen enkel voordeel zou kunnen hebben van een toewijzing van de geldvordering, gaat de klacht niet op. Met medewerking van de bewindvoerder zal [de vriendin van de overleden man] immers kunnen beschikken over de financiële middelen die zij uit krachte van het toewijzend vonnis zal verkrijgen. Onderdeel 7 faalt. Het processuele aspect van het bewind komt hieronder nog aan de orde.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f85402e481587843eee6f3994ba261d9857d10c8eadb142656f36ef447559e1b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f85402e481587843eee6f3994ba261d9857d10c8eadb142656f36ef447559e1b, en de alinea staat in dat document op bytes 17407 tot 18455.