Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2000

Alinea 34 Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA6341.

2.13. Thans de overige klachten, die alle betrekking hebben op de - door het hof in rov. 2 - 4 behandelde - vraag, wie in de appèlprocedure als rechtsopvolg(st)er van de overleden eiser kon optreden. Het hof heeft voor de legitimatie van [de vriendin van de overleden man] als rechtsopvolgster van de eiser in dit kort geding genoegen genomen met de verklaring van erfrecht. Onderdeel 1 maakt hiertegen bezwaar en stelt dat het hof zelfstandig had behoren te onderzoeken of [de vriendin van de overleden man] ten tijde van het overlijden samenwoonde met de man, nu dit de in het testament gestelde voorwaarde was.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f85402e481587843eee6f3994ba261d9857d10c8eadb142656f36ef447559e1b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f85402e481587843eee6f3994ba261d9857d10c8eadb142656f36ef447559e1b, en de alinea staat in dat document op bytes 21739 tot 22367.