Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2000
Alinea 35 Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2000
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA6341.
2.14. De bewijskracht van een notariële verklaring van erfrecht was ten tijde van ’s hofs arrest geregeld in het derde lid van art. 38a van de Wet op het Notarisambt (wet van 9 juli 1842, Stb. 20). De bewijsrechtelijke betekenis van een verklaring van erfrecht is uitvoerig behandeld door de A-G Asser in zijn conclusie, voorafgaand aan HR 24 januari 1997, NJ 1998, 204 m.nt. Hidma. Ik moge daarnaar verwijzen. Sinds 1 oktober 1999 geldt een nieuwe Wet op het notarisambt (wet van 3 april 1999, Stb. 190). De bepaling van art. 38a, derde lid, (oud) keert in de nieuwe wet terug als art. 47, derde lid8.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f85402e481587843eee6f3994ba261d9857d10c8eadb142656f36ef447559e1b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f85402e481587843eee6f3994ba261d9857d10c8eadb142656f36ef447559e1b, en de alinea staat in dat document op bytes 22387 tot 23005.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f85402e481587843eee6f3994ba261d9857d10c8eadb142656f36ef447559e1b | shasum -a 256