Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2000

Alinea 30 Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA6344.

10) Ook de overige klachten van het middel falen naar mijn mening. De onderdelen 6 en 7 komen op tegen overwegingen van feitelijke aard, die m.i. niet onbegrijpelijk zijn en geen nadere motivering behoefden. Anders dan onderdeel 8 aanvoert, behoefde de afwijzing van het beroep op matiging van de bedongen boete m.i. in dit geval (anders dan in de bijzonder liggende gevallen, berecht door HR 13 febr. 1998, NJ 1998, 725 m.nt. JH en 11 febr. 2000, RvdW 2000, 57) geen nadere motivering.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/00a1b2ab95a207c0a81f584b222ad06b35d968f28401f65c4e023f91c03749f1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 00a1b2ab95a207c0a81f584b222ad06b35d968f28401f65c4e023f91c03749f1, en de alinea staat in dat document op bytes 18753 tot 19252.