Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 juli 2000

Alinea 19 Parket bij de Hoge Raad 4 juli 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 juli 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA6375.

Over de parallel die zou bestaan met de “tweede Borgersbriefrecht-spraak” merk ik op dat die vergelijking naar mijn mening niet opgaat.5 Die rechtspraak heeft betrekking op de mogelijkheid te reageren op de conclusie en stelt aan die mogelijkheid grenzen. Zo dienen de opmerkingen te worden geconcentreerd en binnen een bepaalde termijn na de conclusie te worden kenbaar gemaakt. Deze eisen dienen de goede gang van zaken in cassatie. Als daarentegen blijkt dat stukken die aan de advocaat zijn gezonden niet compleet zijn is er een gebrek, dat door nazending wordt geheeld. De procesorde wordt gediend door het toezenden van ontbrekende stukken, evenals de procesorde is gebaat bij gelijktijdige aanbieding van de reacties op de conclusie. Ook als men tweemaal zou moeten vragen om correctie is zo een correctie toch een herstel. Het systeem dat de steller van het middel voor ogen staat zou ertoe kunnen leiden dat de cassatieadvocaat, die bemerkt dat de hem toegezonden stukken incompleet zijn, die vervolgens daarop een verzoek doet om aanvulling en snel na dat verzoek een schriftuur inzendt, zelf een vormverzuim kan scheppen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bdcc92f5a87fbf0eb686f4cbdec2664e0f80fdddd1ccde66a21546352821fe2e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bdcc92f5a87fbf0eb686f4cbdec2664e0f80fdddd1ccde66a21546352821fe2e, en de alinea staat in dat document op bytes 11599 tot 12749.