Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 juli 2000

Alinea 61 Parket bij de Hoge Raad 4 juli 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 juli 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA6375.

28. In de eerste plaats stel ik aan de orde of inderdaad - wat de steller van het middel betwist - [getuige 1] in appel heeft volhard bij zijn in eerste aanleg afgelegde verklaring. De steller van het middel doet het voorkomen alsof [getuige 1] eerst in hoger beroep heeft aangegeven dat een ander zich voor verdachte uitgaf. In ieder geval heeft de getuige al in eerste aanleg verklaard dat de [werkgever] waarvoor de getuige zou hebben gewerkt niet verdachte [verdachte] is (proces-verbaal van de terechtzitting van 13 februari 1998, p.27). Maar rechtbank en hof hebben uit het andere bewijsmateriaal, bijvoorbeeld uit de contacten die [getuige 1] had met [werkgever] over de mobiele telefoon van verdachte,14 kunnen afleiden dat het wel degelijk om verdachte ging.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bdcc92f5a87fbf0eb686f4cbdec2664e0f80fdddd1ccde66a21546352821fe2e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bdcc92f5a87fbf0eb686f4cbdec2664e0f80fdddd1ccde66a21546352821fe2e, en de alinea staat in dat document op bytes 29975 tot 30756.