Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 juli 2000

Alinea 79 Parket bij de Hoge Raad 14 juli 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 juli 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA6513.

7.1. Men zal toch moeten aannemen dat de wetgever geen innerlijk tegenstrijdige normering heeft beoogd. Reeds daarom kan de principiële opvatting dat in art. 9, lid 3 Wet VB 1964 en art. 21, lid 5 Sw al besloten ligt dat de goodwill als extra-winstcapaciteit moet worden belast (zie par. 2.2.), niet die van de wetgever zijn. Mede gezien de waarderingstechnische en civielrechtelijke achtergronden (zie par. 2.3.) stelt de wetgever zich kennelijk bij de in genoemde artikelen bedoelde complexwaardering slechts voor dat ondernemingen worden gewaardeerd naar hun zgn. intrinsieke waarde, zulks in de fiscaal gebruikelijke zin van waar-dering naar de geza-men-lijke vervan-gings-waar-de van de mate-riële activa op basis van ongewijzigde voortzetting van de onderneming, maar exclusief eventuele - alsdan afzon-der-lijk te -waarde-ren - good-will.39 In deze opvatting dient de complex-benadering niet zozeer om ook rentabiliteitsfactoren in de waardering te begrijpen, maar vooral om waardering uit te sluiten op basis van beëindiging van de onderneming (dus naar de liquidatiewaarde).40 41

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5277a2329ccd287962e894aa5622a771e50ac0e63c17cc9acdb81d8102f27ad6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5277a2329ccd287962e894aa5622a771e50ac0e63c17cc9acdb81d8102f27ad6, en de alinea staat in dat document op bytes 26612 tot 27716.