Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 september 2000
Alinea 30 Parket bij de Hoge Raad 8 september 2000
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 september 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA7040.
Bij de klacht onder ad a(ii), gericht tegen de vierde zin van r.o. 4.5 (er is volgens het hof geen enkele aanwijzing dat [verweerder] zich niet zou hebben laten overtuigen) teken ik nog aan, enerzijds dat die zin blijkens de daaropvolgende zin niet dragend is voor 's hofs beslissing, en anderzijds dat terzake van die vraag op [eiser] de stelplicht en bewijslast rustte, nu hem immers een beroepsfout wordt verweten die behoudens door hem te leveren tegenbewijs als condicio sine qua non voor de schade moet gelden; zie HR 26 jan. 1996, NJ 1996, 607 m.nt. WMK en 21 febr. 1997, NJ 1999, 145 m.nt. CJHB, alsmede Asser-Hartkamp 4-I (2000), nr. 434a.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4dfc75ebab9bc254f65eda08c1bf9e0481345ec4f6e3d99081dba5c425e5af95. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4dfc75ebab9bc254f65eda08c1bf9e0481345ec4f6e3d99081dba5c425e5af95, en de alinea staat in dat document op bytes 16739 tot 17401.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4dfc75ebab9bc254f65eda08c1bf9e0481345ec4f6e3d99081dba5c425e5af95 | shasum -a 256