Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 september 2000

Alinea 48 Parket bij de Hoge Raad 8 september 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 september 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA7041.

2.12. In een overeenkomst tussen het kind als materiële contractspartij, vertegenwoordigd door zijn wettelijk vertegenwoordigers, en de artsen en het ziekenhuis kan worden bedongen dat de ouders ook voor zichzelf aan de overeenkomst enig recht ontlenen. Wil men het zo beschouwen dat de overeenkomst voor de ouders pro se geen verplichtingen schept en dat zij daaraan uitsluitend rechten kunnen ontlenen jegens de artsen en het ziekenhuis (een derdenbeding), dan getuigt het oordeel van het hof evenmin van een verkeerde rechtsopvatting. Ook dan mocht het hof als feitelijk uitgangspunt hanteren dat de artsen en het ziekenhuis bij het sluiten van de behandelingsovereenkomst niet erop bedacht behoefden te zijn - en de ouders ook niet mochten menen dat de artsen en het ziekenhuis erop bedacht zouden zijn - dat zij (de artsen en het ziekenhuis) verplichtingen op zich namen jegens een ander dan de zoon. De rechtsklacht van subonderdeel 1c gaat niet op. Subonderdeel 1d, dat op de voorgaande klacht voortbouwt, faalt om dezelfde redenen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4de7291342ff586d802ef07d06c003c3697e4efe35552abe7f173e17eab0eb13. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4de7291342ff586d802ef07d06c003c3697e4efe35552abe7f173e17eab0eb13, en de alinea staat in dat document op bytes 24620 tot 25673.