Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 september 2000

Alinea 49 Parket bij de Hoge Raad 8 september 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 september 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA7041.

2.13. Subonderdeel 1e bevat een motiveringsklacht. Inderdaad is voor de beantwoording van de vraag wie partij is bij de overeenkomst niet beslissend ten behoeve van wie de overeenkomst is gesloten. Een persoon kan immers pro se een behandelingsovereenkomst sluiten ten behoeve van een derde. Echter, in de aangevallen zinsnede van rov. 4.7 (“Tussen (…) gesloten”) wordt teruggegrepen op de daaraan voorafgaande zinnen. Het hof beschouwt niet als beslissend dat de overeenkomst werd gesloten ten behoeve van de zoon, maar bedoelt kennelijk te zeggen dat partijen bij de totstandkoming van de overeenkomst niet hebben besproken of de behandeling van de zoon aan de ouders uitsluitend als wettelijk vertegenwoordigers van hun zoon rechten gaf of ook pro se. Aldus gelezen, is de aangevallen passage niet onbegrijpelijk.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4de7291342ff586d802ef07d06c003c3697e4efe35552abe7f173e17eab0eb13. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4de7291342ff586d802ef07d06c003c3697e4efe35552abe7f173e17eab0eb13, en de alinea staat in dat document op bytes 25693 tot 26528.