Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 september 2000
Alinea 55 Parket bij de Hoge Raad 8 september 2000
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 september 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA7041.
2.19. Het hof heeft vastgesteld dat art. 1407 (oud) BW van toepassing is. Dit artikel bepaalt dat moedwillige of onvoorzichtige kwetsing of verminking van het lichaam de gewonde het recht geeft naast een vergoeding van de kosten van herstel ook de schade door de kwetsing of verminking veroorzaakt te vorderen. Daartoe behoort vergoeding van immateriële schade14. Het artikel kent anderen dan de gewonde geen recht op schadevergoeding toe15. De artikelen 1406 en 1407 geven voor wat betreft de kring van gerechtigde personen en de omvang van de vergoeding een aan de algemene regels derogerende regeling. Men kan dus niet aan de beperkingen van de artikelen 1406 en 1407 ontkomen door een actie op een ander wetsartikel te baseren16. In het kader van de totstandkoming van het nieuw BW heeft een parlementair debat plaatsgevonden over de vraag of ook anderen dan de gewonde schadevergoeding zouden moeten kunnen vorderen. Het gaat daarbij met name om immateriële schade wegens het verdriet om de dood of verwonding van een familielid of andere naaste (de zgn. affectieschade)17. Zoals bekend, is in het NBW een beperkte regeling getroffen voor de verplaatste schade (nl. in de artikelen 6:107 en 6:107a) maar is de mogelijkheid van toekenning van immateriële schade aan anderen dan de gewonde door de wetgever afgewezen18. In de huidige wettekst komt dit tot uitdrukking in art. 6:95 BW: de schade bestaat in vermogensschade en ander nadeel, dit laatste slechts voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft. Art. 6:106 BW houdt in dat voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding in de gevallen, welke in dat artikel onder a - c worden aangegeven. Art. 6:106 BW is op de onderhavige casus niet van toepassing en overigens zou toepasselijkheid van het artikel niet hebben geleid tot toewijzing van vergoeding van affectieschade, omdat het limitatieve stelsel van de wet daaraan in de weg staat19. De keuze van de wetgever is niet onomstreden20. A.J. Verheij heeft een analyse gemaakt van de argumenten waarom bij de totstandkoming van het NBW van vergoeding van affectieschade is afgezien en is tot de slotsom gekomen dat de voornamelijk praktische bezwaren, welke in het parlementair debat werden aangevoerd, alle kunnen worden ondervangen door een wettelijke regeling met gefixeerde bedragen en een vaste kring van gerechtigden21. Nu de rov. 4.12 en 4.13 in cassatie niet worden bestreden, moge met deze verwijzingen worden volstaan22.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4de7291342ff586d802ef07d06c003c3697e4efe35552abe7f173e17eab0eb13. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4de7291342ff586d802ef07d06c003c3697e4efe35552abe7f173e17eab0eb13, en de alinea staat in dat document op bytes 31461 tot 34007.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4de7291342ff586d802ef07d06c003c3697e4efe35552abe7f173e17eab0eb13 | shasum -a 256