Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 september 2000
Alinea 66 Parket bij de Hoge Raad 8 september 2000
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 september 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA7041.
2.27. Een beroving van de bewegingsvrijheid valt aan te merken als een aantasting in de persoon32. Kan dit nu worden doorgetrokken, in die zin dat iedere handeling waardoor een ander (ernstig) wordt beperkt in zijn vrijheid om zijn privé-leven en zijn gezinsleven in te richten - in die zin dat hij genoodzaakt wordt zijn leven anders in te richten dan hij zou hebben gedaan als die beperking er niet zou zijn geweest: het standpunt van de ouders -, reeds op díe grond onrechtmatig is tegenover die ander? Het komt mij voor, dat een dergelijke opvatting geen geldend recht is. Het belangrijkste voordeel van de door het middel verdedigde rechtsopvatting is, dat erkenning van de ouders als rechtstreeks (mede)slachtoffer van de begane medische fout zou aansluiten bij in de maatschappij gevoelde behoeften. Die behoeften worden mede in de hand gewerkt door de onevenwichtigheid van het wettelijk systeem, hieruit blijkend dat de rechtspraak in aanzienlijk minder schrijnende gevallen dan het verlies of de verwonding van een kind wél immateriële schadevergoeding toekent33. Daartegenover staat als belangrijkste nadeel dat het voor een rechter, die eenmaal uitdrukkelijk een recht op schadevergoeding heeft erkend op grond van een onrechtmatige daad, enkel bestaande in het beperken van de vrijheid van de ander om zijn privé- of gezinsleven in te richten zoals deze ander verkiest, niet goed mogelijk is de omvang van dit recht af te bakenen. Anders dan bijv. de lichamelijke integriteit, is een begrip als “de vrije beschikking over de inrichting van het eigen privé-leven of gezinsleven” dermate veelomvattend, dat het begrip als onrechtmatigheidscriterium onderscheidend karakter mist34. Ook is het voor de rechter niet goed mogelijk de kring van gerechtigden af te bakenen: wie op deze grond een recht op schadevergoeding toekent aan ouders moet ook een oplossing paraat hebben voor andere familie- of gezinsbetrekkingen en voor gezinsleden die onderling onrechtmatig handelen op deze grond. Tot het maken van de daarvoor noodzakelijke maatschappelijke keuzen en het voeren van het daartoe noodzakelijke overleg is de wetgever beter toegerust dan de rechter. Voor wat betreft de (materiële) inkomensschade van de ouders zelf, valt op te merken dat de rechtspraak aan de maatschappelijke behoefte reeds ten dele tegemoet is gekomen. In HR 28 mei 1999, NJ 1999, 564 m.nt. ARB, werd o.m. beslist dat de schade, geleden door de tijd die de ouders hebben besteed aan de begeleiding en verzorging van hun gewonde kind, in beginsel voor vergoeding in aanmerking kan komen, zij het als (materiële) schade van het kind en ten hoogste tot het bedrag van de bespaarde professionele hulp. De slotsom is dat ook onderdeel 3 niet tot cassatie leidt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4de7291342ff586d802ef07d06c003c3697e4efe35552abe7f173e17eab0eb13. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4de7291342ff586d802ef07d06c003c3697e4efe35552abe7f173e17eab0eb13, en de alinea staat in dat document op bytes 43395 tot 46160.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4de7291342ff586d802ef07d06c003c3697e4efe35552abe7f173e17eab0eb13 | shasum -a 256