Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 september 2000

Alinea 22 Parket bij de Hoge Raad 8 september 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 september 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA7048.

Aldus ervan uitgaande dat het beroep op verjaring uitsluitend moest worden beoordeeld aan de hand van art. 3:310 lid 1, concludeerde het Hof dat de vordering van de dochter ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding was verjaard omdat de vijfjarige verjaring "op zijn laatst op 1 januari 1990" is aangevangen aangezien de dochter "in elk geval in 1989" bekend was met de schade die zij in deze proce-dure vordert. Het Hof nam daarbij in aanmerking dat de dochter in 1986, als zeventienjarige, aangifte heeft gedaan, welk feit naar 's Hofs oordeel een sterke aanwijzing vormt dat het verwerkingsproces was doorlopen; het Hof nam voorts in aanmer-king dat de dochter in 1989 tegen de vader heeft geprocedeerd en dat zij in 1989 in therapie is gegaan. Op grond van de zojuist genoemde omstandigheden verwierp het Hof ook de "alge-meen geformuleerde" stelling van de dochter dat in een voorko-mend geval zeker niet op voorhand is uit te sluiten dat het beroep van de aansprakelijk gestelde op de vijfjarige verja-ring naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid als onaanvaardbaar van de hand moet worden gewezen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b910f33b4799c1656cc37ee48d40e3866d62befc1081454b54723ecc3a494f25. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b910f33b4799c1656cc37ee48d40e3866d62befc1081454b54723ecc3a494f25, en de alinea staat in dat document op bytes 13823 tot 14969.