Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 september 2000

Alinea 39 Parket bij de Hoge Raad 8 september 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 september 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA7048.

Voor het civiele verjaringsregime houdt de onmiddellijke werking in dat de nieuwe regeling van het vierde lid van art. 3:310 vanaf haar inwerkingtreding ook van toepassing is op feiten gepleegd vóór haar inwerkingtreding tenzij de civiele vordering tot schadevergoeding ten aanzien van die feiten volgens de tot dan toe geldende regels op het tijdstip van inwerkingtreding reeds was verjaard. Was de vordering tot schadevergoeding op 1 september 1994 volgens het daarvóór geldende recht verjaard, dan kan de vordering niet herleven en blijft het nieuwe vierde lid buiten toepassing. Dit laatste is het geval indien de vordering op grond van het eerste lid van art. 3:310 vóór 1 september 1994 was verjaard, dat wil zeggen indien de vijfjaarstermijn vóór 1 september 1989 is aangevang-en. Dat heeft het Hof naar mijn oordeel miskend. Het Hof heeft immers weliswaar eraan gerefereerd dat een civiele vordering die reeds is verjaard niet kan herleven ingeval voor die vordering een nieuwe langere verjaringstermijn gaat gelden, doch het heeft de cruciale vraag of de onderhavige vordering vóór de inwerkingtreding van het nieuwe vierde lid op 1 sep-tember 1994 was verjaard niet beantwoord. Dat blijkt met name ook uit de rechtsoverwegingen 5 en 6 waarin het Hof in het midden liet of de verjaring vóór 1 september 1989 is aang-evangen; het Hof stelde slechts vast dat het feit dat aangifte is gedaan "een sterke aanwijzing vormt, dat het verwerkings-proces is doorlopen" en dat de verjaring op zijn laatst op 1 januari 1990 is begonnen omdat de dochter "in elk geval in 1989" bekend was met de schade die zij in deze procedure vordert nu zij in 1986, als zeventienjarige, aangifte heeft gedaan, zij in 1989 tegen de vader heeft geprocedeerd en zij in 1989 in therapie is gegaan, terwijl op grond van de zojuist genoemde omstandigheden ook moet worden verworpen - aldus het Hof - de "algemeen geformuleerde" stelling van de dochter dat het beroep van de aansprakelijk gestelde op de vijfjarige verjaring naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid als onaanvaardbaar van de hand moet worden gewezen. In zoverre slaagt de in de middelen besloten liggende klacht dat het Hof het toepasselijke overgangsrecht onjuist heeft toegepast.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b910f33b4799c1656cc37ee48d40e3866d62befc1081454b54723ecc3a494f25. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b910f33b4799c1656cc37ee48d40e3866d62befc1081454b54723ecc3a494f25, en de alinea staat in dat document op bytes 28057 tot 30317.