Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 september 2000

Alinea 41 Parket bij de Hoge Raad 8 september 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 september 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA7048.

12. Was de civiele vordering vóór 1 september 1994 niet verjaard op grond van de tot dan geldende regels voor de civiele verjaring, dan is het nieuwe vierde lid van art. 3:310 van toepassing met zijn bepaling dat de rechtsvordering niet verjaart zolang het recht tot strafvordering niet door verja-ring is vervallen. De vraag rijst wat dit impliceert voor een geval als het onderhavige waarin het gaat om sexueel misbruik gepleegd vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regeling. Moet de vraag of het recht tot strafvordering door verjaring is vervallen dan worden beantwoord aan de hand van de nieuwe strafrechtelijke regeling, inhoudende dat de termijn gaat lopen vanaf meerderjarigheid van het slachtoffer? Of impli-ceert het vierde lid dat de civiele rechtsvordering op grond van deze bepaling ook is verjaard ingeval het recht tot straf-vordering op grond van het oude recht (reeds vóór de inwer-kingtreding van het vierde lid) door verjaring is vervallen? In het laatste geval is de onderhavige vordering in ieder geval verjaard voorzover de vordering het sexueel misbruik betreft dat is gepleegd vóór 1 september 1982. Dan moet nog wél worden bezien of de vordering ook is verjaard op grond van het eerste lid van art. 3:310. Ik meen dat de hiervoor gestel-de vraag in eerstbedoelde zin moet worden beantwoord nu het vierde lid beoogt voor de civielrechtelijke verjaring de nieuwe strafrechtelijke regeling te laten gelden. Het enkele feit dat in de nieuwe regeling is bepaald dat de civielrechte-lijke verjaring niet eerder eindigt dan de strafrechtelijke verjaring impliceert niet dat ten aanzien van de civiele vordering die op het tijdstip van inwerkingtreding nog niet was verjaard, de nieuwe regeling niet zou kunnen gelden omdat het recht tot strafvordering op dat tijdstip volgens het oude recht door verjaring was vervallen; de belangen van de schuld-ige aan het misdrijf worden naar mijn oordeel niet onevenredig geschaad omdat onverkort blijft gelden dat het eenmaal ver-jaarde recht tot strafvordering zelf niet herleeft. Iets dergelijks geldt overigens voor het geval vóór de inwerking-treding het recht tot strafvordering is vervallen doordat strafvervolging reeds heeft plaatsgevonden. In dat geval komt de vraag of de nieuwe strafrechtelijke verjaringsregeling van toepassing kan zijn niet meer aan de orde voorzover het het recht tot strafvordering betreft. Voor de civielrechtelijke verjaring is de omstandigheid dat strafvervolging heeft plaatsgevonden echter irrelevant, zoals ook blijkt uit de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis. Ingeval strafvervolging heeft plaatsgevonden zal overigens, ik merk dit terzijde op, bij de toepassing van het nieuwe vierde lid naar mijn oordeel wel buiten beschouwing moeten blijven dat de verjaring door de strafvervolging is gestuit. De nieuwe regeling van het vierde lid van art. 3:310 wordt mijns inziens derhalve onverkort van toepassing ingeval de civiele vordering op het tijdstip van inwerkingtreding - 1 september 1994 - nog niet volgens het tot dan toe geldende (civiele) recht was verjaard.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b910f33b4799c1656cc37ee48d40e3866d62befc1081454b54723ecc3a494f25. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b910f33b4799c1656cc37ee48d40e3866d62befc1081454b54723ecc3a494f25, en de alinea staat in dat document op bytes 32517 tot 35605.