Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 september 2000

Alinea 52 Parket bij de Hoge Raad 20 september 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 september 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA7151.

4.5. Het beroep bij de belastingrechter betreft de heffing van belastingen, niet de invordering ervan. In beginsel dient hij zich dus uit te spreken over een geschilpunt dat kan leiden tot vermindering of vernietiging van de aanslag, onafhankelijk van de vraag of die aanslag ingevorderd wordt of kan worden. Niettemin hoeft hij mijns inziens zijn ogen niet te sluiten voor de omstandigheid dat het heffingsgeschil materieel nog slechts gaat om des keizers baard (of om de kat zijn staart) als gevolg van ontwikkelingen in de invorderingssfeer, zoals verjaring (of kwijtschelding, of toezeggingen zoals niet-verdere bemoeilijking). Complicatie in het thans voor u liggende geval is dat de belanghebbende mijns inziens gelijk heeft in zijn stelling dat verjaring van de invorderingsbevoegdheid in het geheel niet aan de orde komt indien de aanslag niet op een juiste wijze binnen de naheffingstermijn is opgelegd. In dat geval is immers niet (slechts) de invordering te laat, maar (ook) de heffing zelf, en dient de aanslag vernietigd te worden, en niet “buiten invordering” gesteld te worden, met resterende natuurlijke verbintenis.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/48e8b146a4d08c4fab1bb6f5e574b4a1cda4cbdb3b7937aade64a75307245443. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 48e8b146a4d08c4fab1bb6f5e574b4a1cda4cbdb3b7937aade64a75307245443, en de alinea staat in dat document op bytes 20811 tot 21960.