Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 oktober 2000
Alinea 24 Parket bij de Hoge Raad 3 oktober 2000
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 oktober 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA7308.
3.7. Voor zover het middel er - even afgezien van het beroep op onrechtmatigheid van de bewijsvergaring - over bedoelt te klagen dat het hof had moeten motiveren waarom het de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] voor het bewijs heeft gebruikt, miskent de steller van het middel dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing behoeft, behoudens bijzondere gevallen waarvan te dezen niet is gebleken, geen motivering en kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f8b7fa88d1ea5d598c068484dfe267e8153c15ec006427bf5ad75cdd225a1d8d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f8b7fa88d1ea5d598c068484dfe267e8153c15ec006427bf5ad75cdd225a1d8d, en de alinea staat in dat document op bytes 12010 tot 12803.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f8b7fa88d1ea5d598c068484dfe267e8153c15ec006427bf5ad75cdd225a1d8d | shasum -a 256