Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 oktober 2000

Alinea 28 Parket bij de Hoge Raad 3 oktober 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 oktober 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA7309.

3.2. Voorzover de steller van het middel ervan uitgaat dat de redelijke termijn is beginnen te lopen op het moment dat de feiten werden gepleegd gaat het uit van een onjuiste opvatting. Dat is immers niet het moment waarop vanwege de Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze de verwachting heeft ontleend en in redelijkheid ook heeft kunnen ontlenen, dat het Openbaar Ministerie een strafvervolging tegen hem zal instellen.1 In cassatie kan naar mij dunkt worden uitgegaan van de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld en waarop huiszoeking heeft plaatsgevonden. Het tijdverloop tussen die datum en de behandeling van de zaak in eerste aanleg is weliswaar lang maar met het verstrijken van iets meer dan zeventien maanden nog niet onredelijk.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/614656459074ac2f9d8503577fcdd7f5c7f5ff8c1a13960c25e4f8686ff1ce70. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 614656459074ac2f9d8503577fcdd7f5c7f5ff8c1a13960c25e4f8686ff1ce70, en de alinea staat in dat document op bytes 7026 tot 7813.