Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 oktober 2000

Alinea 33 Parket bij de Hoge Raad 3 oktober 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 oktober 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA7309.

3.6. Indien ik er van uit ga dat de huiszoeking en de inverzekeringstelling van verzoeker de dag markeren waarop de in art. 6, eerste lid, EVRM bedoelde termijn aanvangt,4 dan heeft de behandeling van de zaak als geheel iets meer dan vijf jaar en vier maanden in beslag genomen. Dat acht ik weliswaar onwenselijk lang, maar voor verzoeker - die niet gedetineerd was - niet in strijd met het recht om binnen redelijke termijn te worden berecht. Zie in dit verband HR 26 oktober 1999, NJ 2000, 143 waarin mijn ambtgenoot Jörg overschrijding van de redelijke termijn aannam omdat de behandeling van de zaak tot de eerste behandeling ter terechtzitting van de Hoge Raad vijf jaar en drie maanden in beslag had genomen. Uw Raad dacht daar anders over en verwierp het cassatieberoep. Bijzondere omstandigheden die tot het oordeel zouden kunnen leiden in deze zaak daarover anders zou moeten worden gedacht heb ik niet aangetroffen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/614656459074ac2f9d8503577fcdd7f5c7f5ff8c1a13960c25e4f8686ff1ce70. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 614656459074ac2f9d8503577fcdd7f5c7f5ff8c1a13960c25e4f8686ff1ce70, en de alinea staat in dat document op bytes 9170 tot 10110.