Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 oktober 2000

Alinea 39 Parket bij de Hoge Raad 6 oktober 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 oktober 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA7364.

2.10 Dit oordeel, dat berust op een aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van de gedingstukken11, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het onderdeel gaat hier kennelijk uit van de regel dat de omstandigheid dat de eiser of appellant niet meer heeft gereageerd op de conclusie van dupliek of de memorie van antwoord, niet meebrengt dat de rechter het daarin aangevoerde automatisch (als niet of onvoldoende weersproken) als juist mag aanvaarden. Deze regel, die vooral ziet op nieuwe feiten en stellingen van de gedaagde of geïntimeerde, heeft als ratio dat van een procespartij niet mag worden gevergd dat deze steeds een akte ter rolle neemt of steeds pleidooi vraagt, uitsluitend om te voorkomen dat deze feiten en stellingen als vaststaand zullen gelden. Volgens de Hoge Raad is noch een goede procesorde, noch enig ander rechtsbelang hiermee gediend12. Dit laat evenwel onverlet dat het de rechter wel degelijk vrijstaat consequenties te verbinden aan de omstandigheid dat de eiser of appellant nog wel een nadere akte - zoals hier eigener beweging is gebeurd - heeft genomen of pleidooi heeft gevraagd en daarin vervolgens niet ingaat op de stellingen in de conclusie van dupliek of de memorie van antwoord13.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/82a6dc550deca766b8c26ef9f2a3d76ae171f9c2619778fc9337554e1c11cf23. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 82a6dc550deca766b8c26ef9f2a3d76ae171f9c2619778fc9337554e1c11cf23, en de alinea staat in dat document op bytes 15669 tot 16915.