Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 oktober 2000

Alinea 72 Parket bij de Hoge Raad 11 oktober 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 oktober 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA7413.

Indien de inspecteur evenwel slaagt in het bewijs van ontgaan van dividendbelasting, heeft dit tot gevolg dat art. 34, tweede lid, BRK, de fictie van art. 1, derde lid, Wet op de dividendbelasting niet terzijde stelt. Dit betekent dat de dochtermaatschappij wat betreft de toepassing van de Wet op de dividendbelasting, in Nederland is gevestigd, zodat wat Nederland betreft dividendbelasting kan worden ingehouden. Voor toepassing van de BRK is het dividend van dochter aan moeder evenwel geen dividend waarop art. 11 BRK van toepassing is (zie hiervoor, paragraaf 5.1). Dat brengt met zich mee dat ook in dit verband de betekenis van saldo-art. 20 aan de orde komt. Als deze bepaling inderdaad op dit dividend van toepassing is, zou Nederland in deze ontgaanssituatie dus juist geen recht op dividendbelasting hebben. Nadat hij in tweede termijn vanuit de Kamer hierop uitdrukkelijk was gewezen (Handelingen blz. 5500), diende de staatssecretaris op de valreep een nota van wijziging in waarbij art. 20 als volgt werd aangevuld: 'Andere dan de in de voorgaande artikelen van deze afdeling bedoelde winsten en inkomsten welke worden genoten door een inwoner van een van de landen mogen worden belast in het land van inwoning, behoudens ingeval art. 34, tweede lid, tweede zinssnede van de tweede volzin, van toepassing.' [aanvulling gecursiveerd].”

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5945e02e8b87626a7812bb46d361d37b35350c25d72dded333c1db5faef5cb0e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5945e02e8b87626a7812bb46d361d37b35350c25d72dded333c1db5faef5cb0e, en de alinea staat in dat document op bytes 27552 tot 28916.