Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 oktober 2000
Alinea 18 Parket bij de Hoge Raad 13 oktober 2000
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 oktober 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA7479.
Art. 6 Wet Bopz bepaalt dat de officier van justitie bij het indienen van de vordering tot het verkrijgen van een voorlopige machtiging de in artikel 5 bedoelde bescheiden aan de rechtbank overlegt. De termijn van vijf dagen, vervat in de derde zin van art. 5 lid 1 Wet Bopz, geldt slechts indien er sprake is van een verzoek als omschreven in art. 4. In andere gevallen is het aan de officier van justitie overgelaten te beoordelen of de overgelegde verklaring voldoende recent is om zijn vordering op te gronden en is de rechtbank vrij, bij de beoordeling van die verklaring als bewijsmiddel mede de datering van die verklaring te betrekken5
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d83de4ea2803e9cf72818192aa20ba8e45e1425db760b46c3bf8fa07da0c75b5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d83de4ea2803e9cf72818192aa20ba8e45e1425db760b46c3bf8fa07da0c75b5, en de alinea staat in dat document op bytes 8289 tot 8945.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d83de4ea2803e9cf72818192aa20ba8e45e1425db760b46c3bf8fa07da0c75b5 | shasum -a 256