Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 oktober 2000

Alinea 78 Parket bij de Hoge Raad 25 oktober 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 oktober 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA7833.

3.4. Ingeval belanghebbendes lezing van de uitspraak de juiste is, lijkt mij het primaire middel gegrond. Het Hof heeft omtrent de betrokkenheid bij de veehouderij niet méér vastgesteld, dan dat belanghebbende als pachter in de plaats van zijn vader is getreden en dat belanghebbende voor ongeveer 20 uren per week in het bedrijf meewerkte. Het Hof heeft met name niet vastgesteld dat belanghebbende enige opbrengst van het bedrijf toekwam. Uiteraard had belanghebbende wel het economische belang bij de rechten uit de pachtovereenkomst gekregen; een eventuele meewaarde die daarin besloten lag of daarin zou ontstaan, zou bij realisatie aan hem ten goede komen. Maar deze laatste omstandigheid lijkt mij onvoldoende om aan te nemen dat belanghebbende - naast en gelijktijdig met zijn vader - medegerechtigd was tot het vermogen van de veehouderij, als bedoeld in art. 6, lid 1, Wet IB 1964. Van enig samenwerkingsverband tussen belanghebbende en zijn vader, gericht op een gelijktijdige en gezamenlijke economische betrokkenheid bij de veehouderij blijkt niet uit de gedingstukken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6cb4e975153f3b8bf3633c79ee2276408be9bdbaa66791c2a0770e4dcc16c8c9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6cb4e975153f3b8bf3633c79ee2276408be9bdbaa66791c2a0770e4dcc16c8c9, en de alinea staat in dat document op bytes 27719 tot 28816.