Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 oktober 2000

Alinea 22 Parket bij de Hoge Raad 27 oktober 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 oktober 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA7908.

Het voorschrift van art. 3:29 lid 3 dat cassatie op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen 8 dagen in meerge-noemd register moet worden ingeschreven hangt inderdaad, zoals [eiser] stelt, samen met het voorschrift dat het rechterlijk vonnis houdende een "verklaring van waardeloosheid" niet kan worden ingeschreven voordat het in kracht van gewijsde is gegaan. Ingevolge art. 25 lid 1 aanhef en onder a Kadasterwet is voor laatstbedoelde inschrijving vereist een verklaring van de griffier van het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan inhoudende dat geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat. In de "technische moeilijkheid" dat de gewone formaliteiten voor hoger beroep en cassatie niet waarborgen dat na het verstrij-ken van de voor die rechtsmiddelen gestelde termijn met zeker-heid kan worden vastgesteld dat van de bevoegdheid om het rechtsmiddel aan te wenden geen gebruik is gemaakt (de grif-fier van het gerecht tegen de uitspraak waarvan een rechtsmid-del is gericht krijgt daarvan in het geheel geen kennis ter-wijl de griffier van het gerecht waarbij een rechtsmiddel wordt ingesteld dat wellicht pas na lange tijd krijgt omdat kan zijn gedagvaard tegen een dag lang na het verstrijken van de termijn) is in het derde lid van art. 29 bepaald dat hoger beroep en cassatie op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het indienen van het rechtsmiddel worden ing-eschreven in de registers bedoeld in art. 433 Rv (de registers ter griffie van het gerecht dat de bestreden uitspraak heeft gedaan). Aldus wordt de griffier in staat gesteld om aan de hand van zijn register te beoordelen of nog een gewoon rechts-middel openstaat en zo dit niet het geval is de desbetreffende verklaring af te geven als in art. 25 lid 1 aanhef en onder a Kadasterwet voor de inschrijving wordt geëist. (Parl. Gesch. Boek 3, Inv., p. 1115 en 1108.) Het doel van de bepaling van art. 3:29 lid 3 is derhalve het met het oog op de ten aanzien van verkrijging van registergoederen vereiste rechtszekerheid buiten twijfel stellen dat op het tijdstip waarop de termijn voor het instellen van het beroep verstreek, zodanig beroep niet is ingesteld. Vergelijk Uw Raad in zijn arrest van 24 december 1999, RvdW 2000, 13C, dat betrekking had op art. 3:301 BW. Deze bepaling ziet op een uitspraak die in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte en kent eenzelfde regeling met betrekking tot de ontvankelijk-heid van hoger beroep en cassatie als art. 3:29, evenals art. 3:27 dat ziet op een rechterlijke verklaring omtrent een recht op een registergoed.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b0e255ca9aaf2b0a4ffd07cbfa9d421717852f572457e543a36bd6cd8321b1bc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b0e255ca9aaf2b0a4ffd07cbfa9d421717852f572457e543a36bd6cd8321b1bc, en de alinea staat in dat document op bytes 13051 tot 15638.