Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 oktober 2000
Alinea 116 Parket bij de Hoge Raad 27 oktober 2000
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 oktober 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA7916.
5.22. De president van de rechtbank, en in hoger beroep het Hof, dienen, zonodig ambtshalve, te onderzoeken of het belang van partijen een onverwijlde voorziening bij voorraad vordert.29 Is dat niet het geval, dan dient de vordering in kort geding te worden afgewezen. Het oordeel omtrent de spoedeisendheid van eisers belang berust op een aan de feitenrechter voorbehouden waardering van de omstandigheden.30 ‘s Hofs oordeel dat [eiser 1] en [eiser 4] - gegeven hun verklaringen in hoger beroep dat zij hun pensioenen regulier tot uitkering wensen te laten komen - onvoldoende spoedeisend belang hebben bij het door hen gevorderde, is feitelijk, mijns inziens voldoende gemotiveerd en daarmee in cassatie onaantastbaar.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3372d0d02900aea32092b9a5b52bfbbb5ec3ae3e0b6f4440be897926653b6eac. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3372d0d02900aea32092b9a5b52bfbbb5ec3ae3e0b6f4440be897926653b6eac, en de alinea staat in dat document op bytes 64830 tot 65566.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3372d0d02900aea32092b9a5b52bfbbb5ec3ae3e0b6f4440be897926653b6eac | shasum -a 256