Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 november 2000

Alinea 74 Parket bij de Hoge Raad 22 november 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 november 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA8424.

5.4. Ziet men de op de voet van art. 62, lid 2 Wet IB 1964 op te leggen gezamenlijke aanslag in de inkomstenbelasting en de premieheffing volksverzekeringen c.q. in de inkomstenbelasting en de premievervangende inkomstenbelasting als een aanslag die uit twee zelfstandige onderdelen bestaat, dan is die beslissing ook wat het juridische deel daarvan, juist. Voor die opvatting biedt de in 1989 tot stand gebrachte regeling alsook de ontstaansgeschiedenis daarvan zeker steun. Weliswaar werd in art. 60, lid 5 -later lid 6- Wet IB 1964 en in art. 61, lid 5 Wet IB 1964 bepaald dat WIR-premies en verliezen uit aanmerkelijk belang ook verrekenbaar zouden zijn met het premie-gedeelte van de gezamenlijke aanslag inkomstenbelasting en premieheffing, maar dat vergde in de visie van de wetgever kennelijk uitdrukkelijke bepalingen in die zin. In dit verband kan verder worden gewezen op de hiervoor (par. 2.6. t/m 2.8.) vermelde uitlatingen van de toenmalige bewindslieden in de Eerste Kamer, waarin het zelfstandige karakter van de premieheffing werd beklemtoond.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a4e77107f9ab362dbde7ac228333c11eb12c9e9f5981dde732b0eb83ad6aed4e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a4e77107f9ab362dbde7ac228333c11eb12c9e9f5981dde732b0eb83ad6aed4e, en de alinea staat in dat document op bytes 25389 tot 26464.