Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 december 2000

Alinea 46 Parket bij de Hoge Raad 1 december 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 december 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA8718.

9. Deze klacht moet naar mijn oordeel falen. [Verweerder] heeft - zoals hiervoor onder 3 reeds aangegeven - betoogd dat van een erkenning geen sprake is en dat hij met bedoelde uitlating in zijn dupliek van 1 december 1993 slechts heeft erkend dat [het eenmansbedrijf] eind 1992 een brief aan hem ([verweerder]) moet hebben verzonden. Kennelijk heeft het Hof deze door [verweerder] in zijn dupliek (p. 3 onder 3) aan zijn uitlating gegeven uitleg onderschreven, een uitleg die erop neerkomt dat [verweerder] - die de bewuste brief van 30 december 1992 naderhand onder ogen heeft gekregen doordat deze hem in kopie was toegezonden nadat hij daaromtrent had verzocht naar aanleiding van de brief van 16 juli 1993 waarin aan de hem niet bekende brief werd gerefereerd - slechts heeft erkend dat de brief van 30 december aan hem is verzonden. Op juistheid kan 's Hofs uitleg niet worden getoetst. Ik acht 's Hofs uitleg, hoewel wellicht niet aanstonds voor de hand liggend, niet onbegrijpelijk. Nadere motivering behoefde 's Hofs uitleg in het licht van de gedingstukken niet. Daarop stuit de motiveringsklacht af.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/252fea0b2a21a5f81383ddf66cbb82522da7aae15339c91f9934c7e97c15cc66. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 252fea0b2a21a5f81383ddf66cbb82522da7aae15339c91f9934c7e97c15cc66, en de alinea staat in dat document op bytes 21493 tot 22616.