Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 december 2000
Alinea 81 Parket bij de Hoge Raad 1 december 2000
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 december 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA8719.
16. Dit middelonderdeel gaat terecht ervan uit dat slechts sprake kan zijn van een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich in de zin van het te dezen toepasselijke art. 3:317 lid 1 BW ondubbelzinnig het recht op nakoming voorbehoudt ingeval de schriftelijke mededeling ook is gericht tot de schuldenaar van de vordering, in casu Kenmark. Dat heeft het Hof evenwel niet miskend. Het Hof heeft immers het oordeel van de Rechtbank onderschreven dat de tekst van de bewuste brief ondubbelzinnig is en geen twijfel erover laat bestaan dat Intrepid het verhaal van haar vorderingen jegens Kenmark wenste voort te zetten nu in deze brief wordt gesproken van "resuming the arbitration proceedings" en uitsluitend tussen Kenmark en Intrepid arbitrage was overeengekomen. Het Hof kon derhalve oordelen dat de vordering van Intrepid op Kenmark was gestuit door verzending van een kopie van deze brief aan Kenmark, die deze kopie ook ontving. Van een onjuiste rechtsopvatting is geen sprake; nadere motivering behoefde 's Hofs oordeel evenmin. Zie Uw arrest van 14 februari 1997, NJ 1997, 244.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e4ef5a8f94c13550f57608099655bb772d3d697664da40511c47bc8d2f4c9258. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e4ef5a8f94c13550f57608099655bb772d3d697664da40511c47bc8d2f4c9258, en de alinea staat in dat document op bytes 33235 tot 34341.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e4ef5a8f94c13550f57608099655bb772d3d697664da40511c47bc8d2f4c9258 | shasum -a 256