Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 december 2000

Alinea 25 Parket bij de Hoge Raad 1 december 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 december 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA8721.

4) Op het door [eiser] ingestelde hoger beroep heeft de rechtbank te Almelo bij vonnis van 18 november 1998 het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. De rechtbank heeft dit vonnis bekrachtigd in haar uitspraak van 18 november 1998. Zij overwoog daartoe dat [eiser] had gesteld dat hij en [de algemeen directeur] in het geheel niet de toepassing van het sociaal plan zoals dat achteraf bleek te luiden waren overeengekomen, doch de toepassing van het sociaal plan zoals zij de inhoud daarvan beiden gelijkelijk veronderstelden, dus zonder het maximum dat in dat plan te lezen is (r.o. 9 in fine). Vervolgens oordeelde de rechtbank (r.o. 10) - onder verwijzing naar de Haviltex-formule en naar HR 17 dec. 1976, NJ 1977, 241 m.nt. GJS (Bunde/Erckens) - dat uit de verklaringen van de getuigen [eiser] en [de algemeen directeur]() niet valt op te maken dat zij met hun verklaringen of gedragingen tijdens hun besprekingen die hebben geleid tot de overeenkomst, voor elkaar of de één voor de ander de oorzaak zijn geweest van hun foutieve veronderstellingen. Er zijn, aldus de rechtbank, geen concrete aanwijzingen uit de verklaringen van de getuigen [eiser] en [de algemeen directeur] te halen die erop wijzen dat [eiser] bij zijn veronderstelling is afgegaan op een verklaring van [de algemeen directeur] en andersom is dat ook niet het geval. [Eiser] heeft geen grief gericht tegen de overweging van de kantonrechter dat tussen partijen niet expliciet is afgesproken dat [eiser] tachtig procent van het salaris zou ontvangen. Uit een en ander trekt de rechtbank de conclusie dat het overeenstemmen van de (foutieve) veronderstelling meer op toeval heeft berust dan dat beiden reeds de foutieve veronderstelling hadden alvorens met elkaar in gesprek te gaan en tot overeenstemming te komen. Ten slotte overweegt de rechtbank dat nu de veronderstelling van [de algemeen directeur] noch die van [eiser] zijn te herleiden tot enig gedrag van (één van) beiden in de fase van de totstandkoming van de overeenkomst, er tussen partijen geen wilsovereenstemming is bereikt over een doorbetaling van salaris na de beëindiging van de dienstbetrekking die niet is gemaximeerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/693800294dbe92fbabcf49757ceb064839da9132b0d456fc9d3784fb2e1076ce. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 693800294dbe92fbabcf49757ceb064839da9132b0d456fc9d3784fb2e1076ce, en de alinea staat in dat document op bytes 7979 tot 10162.