Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 december 2000

Alinea 31 Parket bij de Hoge Raad 15 december 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 december 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA9039.

2.7. De wettelijke regeling lijkt te zijn toegesneden op de beroepsuitoefening door architecten in het vrije beroep. De memorie van toelichting op art. 23 geeft op het thans aan de orde gestelde vraagstuk geen antwoord(11 ). De rechtbank doelt kennelijk op het voorlopig verslag van de Eerste Kamer, waar het G.P.V. een aantal voorbeelden gaf van aanduidingen welke iemand, die niet voldoet aan de bepalingen van deze wet, achter zijn naam zou kunnen zetten; het G.P.V. vroeg de regering, welke van deze aanduidingen wel, en welke niet, in strijd zouden zijn met de voorgestelde regels(12 ). De dertien voorbeelden hadden betrekking op een persoon die zich van bepaalde aanduidingen bedient, zoals "Adviesbureau voor bouwkunst", "Bureau voor architectuur" etc. De regering antwoordde:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c090659f3e3fd18211c11c8fd539b805dd0490d0e179a80a85932e60353569ab. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c090659f3e3fd18211c11c8fd539b805dd0490d0e179a80a85932e60353569ab, en de alinea staat in dat document op bytes 15746 tot 16544.