Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 december 2000
Alinea 28 Parket bij de Hoge Raad 15 december 2000
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 december 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA9042.
In de parlementaire geschiedenis noch in de literatuur is onder ogen gezien een situatie als de onderhavige waarin de rechter in het belang van het kind het gezamenlijk gezag laat doorlopen, maar waarin partijen twisten over de vraag wie de feitelijke zorg over het kind op zich mag nemen. Men gaat er kennelijk van uit dat de rechter in gevallen waarin de ouders twisten over de verblijfplaats van het kind, het gezag aan één van hen zal opdragen, aldus beslissend over de feitelijke verblijfplaats van het kind, zie art. 1:12 lid 1 BW. Het ligt echter voor de hand dat de rechter niet alleen impliciet - door het gezag aan één van beide ouders op te dragen - maar ook expliciet - indien hij in het belang van het kind het gezamenlijk gezag laat doorlopen - over de verblijfplaats van het kind een beslissing kan nemen. Een dergelijke beslissing valt niet buiten het kader van de nevenvoorzieningen, nu het een met de gezagsvoorziening samenhangende voorziening betreft.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dbd64d4caae1f7885513a7b0b0cd0c5bc53fa6422f4acb8eb1a184d69c25a5b1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dbd64d4caae1f7885513a7b0b0cd0c5bc53fa6422f4acb8eb1a184d69c25a5b1, en de alinea staat in dat document op bytes 11333 tot 12322.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/dbd64d4caae1f7885513a7b0b0cd0c5bc53fa6422f4acb8eb1a184d69c25a5b1 | shasum -a 256