Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 maart 2000

Alinea 12 Parket bij de Hoge Raad 28 maart 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 maart 2000, ECLI:NL:PHR:2000:ZD1791.

5. In de toelichting op het middel wordt uitvoerig - met een verwijzing naar U.S. v. Lazarevich (147 F3 d 1061, CA9 1998) aangegeven waarom het te verwachten valt dat in de Verenigde Staten, bij het bepalen van de op te leggen straf de opgeëiste persoon, ook zal worden gelet op de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij strafbare feiten waarvoor de uitlevering ontoelaatbaar is verklaard. Voor de ontoelaatbaarheid hiervan wordt aangeknoopt bij een beslissing van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens inzake Zegwaard, waarin de Commissie uitmaakte dat de in art. 6, tweede lid ECRM gewaarborgde praesumptio innocentiae (van beide klagers) was geschonden doordat bij de straftoemeting rekening was gehouden met niet tenlastegelegde en kennelijk niet door klagers erkende strafbare feiten (ECRM 9 september 1998; zie E. Myjer, Zegwaard en de vervuilende strafmaatoverweging (2), NJCM-Bulletin 1999, blz. 675-679). Bij Zegwaard moet overigens worden bedacht dat het in die zaak ging om feiten, waarvan het bewijs niet wettig tot stand was gekomen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f0caabb252ab289e243ac517c0b6897ba1c263eb22833241999d409744f8ef73. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f0caabb252ab289e243ac517c0b6897ba1c263eb22833241999d409744f8ef73, en de alinea staat in dat document op bytes 8954 tot 10170.