Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 maart 2000

Alinea 15 Parket bij de Hoge Raad 28 maart 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 maart 2000, ECLI:NL:PHR:2000:ZD1791.

7. Bij de beoordeling van het middel dient het uitgangspunt te zijn dat het specialiteitsbeginsel zich niet in de eerste plaats richt tot de opgeëiste persoon maar tot de autoriteiten van het land aan wie de opgeëiste persoon wordt uitgeleverd (G.A.M. Strijards, Uitlevering , 1988, blz. 122). Daarom biedt het specialiteitsbeginsel op zichzelf de Nederlandse rechter geen grondslag om een gevraagde uitlevering ontoelaatbaar te verklaren uit vrees dat de opgeëiste persoon zal worden gestraft of anderszins in zijn vrijheid zal worden beperkt ter zake van feiten waarvoor hij niet is uitgeleverd (HR 15 februari 1977, NJ 1977, 619; A.H.J. Swart, Nederlands uitleveringsrecht , 1986, blz. 346, nr. 306; A.A.M. Orie, J.G. van der Meijs en A.M.G. Smit, Internationaal strafrecht , 1991, blz. 80). De weging van de gevolgen van een mogelijke schending van het specialiteitsbeginsel is voorbehouden aan de minister van justitie (art. 12, eerste lid, Uitleveringswet; Swart, a.w., blz. 369, nr. 331).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f0caabb252ab289e243ac517c0b6897ba1c263eb22833241999d409744f8ef73. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f0caabb252ab289e243ac517c0b6897ba1c263eb22833241999d409744f8ef73, en de alinea staat in dat document op bytes 10578 tot 11727.